Willem Peersman, fervent bezoeker en geduchte tegenstander bij het scrabbelen op zaterdag, deelt 'Mijn boekenbiecht. Van leeslustig naar levenslang leeshongerig.' Of hoe literatuur je je leven lang vergezelt. Mooi!

In zijn volledigheid te lezen en/of te beluisteren episode 1,  episode 2  en episode 3

Episode 1, episode 2: Lezen in het volle leven en waarvoor ziek zijn al niet goed is & episode 3: Wereldliteratuur en ander dierbaars in mijn boekenkast

 

 

 

Een leven zonder boeken kan ik mij niet indenken en ik prijs mij gelukkig dat ik nog altijd leef. Het was in 1940 dat ik leerde lezen volgens de primitieve maar deugdelijke methode van letters op het grote zwarte bord vooraan in de klas van het eerste studiejaar: a -  aa -  aap. Traag maar duurzaam want eens dat ik er, zoals toen gezegd werd, mee weg was, ging voor mij een andere wereld open en kon ik van lezen niet genoeg krijgen. Helaas was het toen al enkele maanden oorlog en heerste er papierschade. Kinderboekjes waren een zeldzaamheid.

Bij ons thuis waren er een paar dikke sprookjesboeken voorhanden ( De gebroeders Grimm, Hans Christian Anderson) waaruit mama en haar zussen, onze tantes, voorlazen of die zij als leidraad gebruikten om te vertellen. Stripverhalen bestonden toen ook al, maar papa had het niet voor wat hij ‘mannekespapier’ noemde en in die tijd was vaders wil nog wet. Niet leuk want ik had vriendjes en die haalden Robbedoes en Kuifje uit de kast.

Gelukkig raakte ik via de school snel aan leesvoer dat mij beter lag: de Vlaamse Filmkes van de Goede Pers Averbode! De naam van een van de schrijvers ben ik nooit vergeten: John Flanders (Jean Ray voor de Franstaligen). Zijn Spoken op de ruwe heide zijn mij bijgebleven.

Een andere van mijn favoriete schrijvers – wij spraken nooit van auteurs – was Karl May. Zijn verhalen over Winnetoe en Old Shatterhand brachten mij in vervoering en hebben mij op een keer geïnspireerd tot iets wat tot een drama had kunnen leiden. Ik waande mij in het Wilde Westen, flanste een draak van een tentje ineen en vond niet beter dan een kampvuur aan te leggen met aanmaakhout op de plankenvloer van een niet gebruikte bovenkamer in het grote oude huis dat wij toen bewoonden. Gelukkig raakte ik door de rookstank van het krantenpapier in paniek en kon ik alsnog verhinderen dat het hout vuur vatte.

In mijn internaatjaren kort na de oorlog was het boekenaanbod in wat voor een klasbibliotheek moest doorgaan schaars. Om een klassieker van Jules Verne, Charles Dickens of Robert Scott in handen te krijgen was er een wachtlijst. De Witte van Ernest Claes was niet voorradig en Streuvels niet voor onze leeftijd. Wel waren er enkele boeken van protestantse Nederlandse schrijvers die in de ogen van de Vlaamse rooms-katholieke bisschop genade vonden. Een ervan was Arie Van der Lugt van wie ik Het geluk rijpt in de lente in handen kreeg. Het werd mijn eerste echte jeugdboek met een verhaal dat de puberende jongen die ik toen was sterk aansprak. Een ingrediënt als de ontluikende liefde tussen een jongen en een meisje was nieuw en ik was naar de afloop zo nieuwsgierig dat ik op een zondag het boek onder mijn trui had mee gesluisd naar de kapel waar ik tijdens de hoogmis op het dokzaal lid was van het zangkoor. Tijdens de preek van de celebrant zat ik op de laatste rij veilig neer naast het orgel. Eens het boek opengeslagen geraakte ik in de lectuur zo verdiept dat ik uit mijn wolk van welbehagen pas ontwaakte toen het koor inviel op aangeheven Credo. Ik schrok mij recht, het boek viel uit mijn handen. Oprapen durfde ik niet, dat deed de koorleider na het Gregoriaans gezongen lange Amen. Diezelfde avond werd ik door de eerwaarde musicoloog in opleiding met een briefje ontboden naar zijn kamer. Veel heeft die jonge priester toen niet gezegd. Onthouden heb ik wel dat hij bedroefd en in mij zeer teleurgesteld was. Het boek kreeg ik terug maar het lezen ervan was niet meer hetzelfde. Van Arie Van der Lugt heb ik onlangs in een van mijn boekenkasten nog een andere titel teruggevonden Schip zonder boeg. Ik kan mij niet herinneren dat ik het eerder dunne boekje onder een verkleurde licht groene linnen band ooit gelezen heb.

Jaar na humaniorajaar werden wij behoedzaam ingewijd in de Europese literatuur maar veel werd ons onthouden. Dante, Shakespeare (sonnetten), Goethe, Vondel, Dostojewski, Jacob Cats, Guido Gezelle en Pascal, ja, maar geen Voltaire of Diderot, laat staan Flaubert. Hoeveel opener waren nadien dan de professoren Sobry en Albert Westerlinck (José Aerts) aan de universiteit in Leuven.

Een boek dat in mijn jonge jaren grote indruk heeft gemaakt en mijn opinie over het rassenvraagstuk en meer bepaald omtrent de apartheid in Zuid Afrika heeft gevormd, is Tranen over Johannesburg van Alan Paton. Thuis aan tafel begon ik er op een zondagmiddag over en dat gesprek is uitgemond in een felle discussie met mijn vader die het met mij oneens bleek te zijn. Toch is hij er niet in geslaagd mij voor zijn standpunt te winnen. Zelf heb ik nadien niet langer met overtuiging  gezongen van Bobejaan beklim die berg om die rooinek te verslaan. Het was gedaan met ‘hoera voor die boer hoera’…

Een ander boek dat mij rond diezelfde tijd een paar dagen en evenveel halve nachten in de ban heeft gehouden, was Gejaagd door de wind van Margaret Mitchell, een epische roman over de Amerikaanse  burgeroorlog, liefst 800 pagina’s dik. Om mijn huisgenomen in de waan te laten dat ik lag te slapen, las ik in het licht van een zaklamp onder de dekens. Slecht voor de ogen.

 

Lezen in het volle leven en waarvoor ziek zijn al niet goed is

Wie na studies met een baan in het volle leven belandt, heeft plots veel minder tijd om boeken te lezen. Kranten en tijdschriften of vakliteratuur krijgen dan in de schaarser geworden tijd ook nog voorrang. Toch heb ik, zoals dat heet, soms tijd voor lezen gemaakt. Zo heb ik ooit op een zomerse zondagnamiddagwandeling een boek meegesmokkeld waarvan ik dacht dat een voorleesuurtje in de schaduw onder een boom mijn jonge vrouw zou bevallen. Mis. An toonde weinig belangstelling voor De man die zijn haar kort liet knippen van Johan Daisne. De zon was haar liever en ik paste.

Naarmate mijn loopbaan vorderde heb ik veel meer zelf geschreven dan gelezen. Geen verhalen maar reportages, interviews en een massa toespraken voor anderen waarvoor ik mijn beste pen bovenhaalde om hen boodschappen te laten verkondigen waarin ik vaak zelf niet geloofde. Wiens brood gij eet, diens woord zult gij schrijven. Ach, er zijn zoveel mensen die in dat geval verkeren.

Weinigen zullen mij daarentegen kunnen nazeggen dat zij gelukkig in tijden van gezondheidsproblemen veel leesachterstand hebben kunnen goedmaken. Tot tweemaal toe heb ik weken naeen in ziekenhuizen verbleven met nadien telkens een herstelperiode thuis. In die tijd en kort nadien in de aanvang van een haast miraculeuze gezonde derde leeftijd, las ik een waslijst boeken. Als ik de naar mijn gevoel belangrijkste dertien mag citeren, hier gaan ze: Het gevecht met de engel van Herman Teirlinck, Joachim van Babylon van Marnix Gijsen, De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch, Het verdriet van België van Hugo Claus, Pieter Daens van Louis Paul Boon, De meester en Margarita van Michail Boelganov, Oblomov van Ivan  Gontsjarov, Honderd jaar eenzaamheid van Gabriel Garcia Marquez, 1984 van George Orwell, De verhalen van Jorge Luis Borges, Voor wie de klok luidt van Ernest Hemingway, Anna Karenina van Tolstoy en De gebroeders Karamazov van Dostojewski.
 

De weldaden van de bib en enkele bijzondere leeservaringen

In 2004, het jaar van mijn zeventigste verjaardag, kreeg ik er met de feestelijke opening van de gemeentelijke Nederlandstalige bibliotheek een extra geschenk bovenop. Vanaf de eerste dag was ik lid en het boekenaanbod overtrof mijn stoutse verwachtingen. Er viel veel te ontdekken, er waren lezingen met auteurs en ik leerde scrabble spelen. Enkele jaren later kwam er ook een leeskring waarin ik mijn mening over het te bespreken boek aan die van anderen kon toetsen. Boeiend en leerrijk.

Honderden boeken heb ik ontleend en gelezen. Fictie en non fictie. Ik kende veel auteurs bij naam maar van de velen van wie ik nooit eerder had gehoord, is er een die er bovenuit steekt en op mij een geweldige indruk heeft gemaakt: Amos Oz. In de eerste plaats met het grandioze autobiografische Een verhaal van liefde en duisternis, een absolute aanrader.

Het is wellicht toeval maar toch ook merkwaardig dat net zoals die van Oz, de roots van Clarice Lispector wijzen richting Oekraïne. Haar kende ik door het lezen van de opmerkelijke biografie van de hand of uit de pen van Benjamin Moser. Een tweede spoor dat mij op het spoor bracht van de Braziliaanse Virgina Woolf – ik citeer Annelies Beck uit De Tijd – dateert van mei 2014 toen in de Munt het boek Stilte van Kristien Bonneure werd gepresenteerd. De auteur, radiojournaliste bij de VRT, werd bij die gelegenheid door haar TV-collega geïnterviewd. Tijdens de receptie na afloop was ik op zoek naar bekenden en op die weg zag ik toevallig Annelies Beck op haar eentje zittend op een traptrede. Ik trok mijn stoute schoenen aan en stapte op haar toe met een nonchalant ‘Ik ken u’. De jonge vrouw keek met een frons in haar voorhoofd en een vragende blik ietwat verstrooid op. Toen ik mij met een ‘Van Terzake dan’ verontschuldigde volgde er een glimlach en raakten wij in gesprek over boeken en een volgens haar zeer bijzondere vrouw: Clarice Lispector. Zoals ik nadien in een weekendbijlage van De Tijd heb gelezen en genoteerd, is Lispector voor Beck ‘ de Braziliaanse Virginia Woolf die pendelde tussen journalistiek en filosofische fictie’. Het uur van de ster was het eerste boek waarmee ik met het werk van die bijzondere schrijfster kennis heb gemaakt. Het was een leeservaring als geen ander en bevestiging hiervan kreeg ik met De ontdekking van de wereld en De passie volgens G.H. Persoonlijk zou ik belangstellenden niet willen aanraden met dit laatste boek te beginnen maar eerder Het uur van de ster aanbevelen. Of voor wie er de tijd voor heeft Alle verhalen, een bundeling van al wat de journaliste ooit heeft gepubliceerd in kranten en tijdschriften. Van haar puberteit tot haar dood in 1977. Vele uren  verrassende lectuur. Wonderbaarlijk.

Werk kunnen lezen van een leeftijdgenoot is meestal verhelderend en altijd wel herkenbaar zelfs wanneer het verhaal zich afspeelt aan de andere kant van de Atlantische Oceaan. Dit heb ik voor mijzelf uitgemaakt na het lezen van twee romans van Philip Roth: Amerikaanse pastorale en Het complot tegen Amerika. Vooral dit visionaire tweede van de in 2018 overleden auteur heeft mij aangesproken omdat ik er het klimaat en de leefwereld van mijn kinderjaren tijdens de eerste jaren van de jongste wereldoorlog in heb ervaren. Tegelijk toont deze roman aan dat autobiografie in fictie nooit ver weg is.

Een andere recente leeservaring bevestigt mijn overtuiging dat non fictie even boeiend kan zijn als de beste roman. IK heb het hier over Erebus van Michael Palin. Geweldig hoe een van de sterren van het memorabele Monty Python-gezelschap een straks tweehonderd jaar oud verhaal van twee maritieme expedities doet herleven door aan de hand van documenten – brieven, dagboeken en stenen getuigenissen – zelf op sporenonderzoek te gaan en daar levendig over bericht. Dat het wrak van het vlaggenschip  Erebus pas in 2014 is teruggevonden op de aan de noordkust van Canada niet eens zo diepe bodem, is aan het succes van een met boeiende illustraties verrijkte editie niet vreemd.

Dat er ook boeken bestaan die tot een ander inzicht leiden dan het beeld dat ons van kindsbeen af is voorgehouden, heb ik ervaren bij de lezing van De geest van Leopold II en de plundering van de Congo van Adam Hochschild. Bij de wrange nasmaak dat dit sterk gedocumenteerd boek bij mij heeft achtergelaten heb ik in een opwelling gedacht de niet lang voordien ontvangen onderscheiding van Officier in de Orde van Leopold II naar de minister van Buitenlandse Zaken terug te sturen. Zag ik op tegen de rompslomp of was ik niet consequent? Ik deed toen niet wat ik had moeten doen.

 

Wereldliteratuur en ander dierbaars in mijn boekenkast

Boeken die tot de wereldliteratuur behoren en bovendien fraai uitgegeven zijn horen thuis in een boekenkast en liefst achter glas. Het zijn werken om er zo nu en dan eens naar terug te grijpen en lukraak open te slaan. En dan gebeurt het dat men erbij gaat zitten en begint in te lezen.

Tot mijn persoonlijk aan schenkers of erfgenamen over te dragen bezit behoren de Canzonieri of het liedboek van Petrarcha, de aartsvader van de Europese poëzie. Onder linnen band met goudopdruk links de originele tekst en rechts een vertaling van Peter Verstegen die ook een voorwoord schreef.

In casette en in twee banden, samen 1205 pagina’s tekst, Don Quichot, de vernuftige edelman van La Mancha van Miguel de Cervantes Saavedra, in vertaling van Barber van de Pol en schitterend geïllustreerd met alle prenten van Gustave Doré. Een schat van een boek. Mocht Jacques Brel nog leven, hij zou mij niet tegenspreken.

In twee delen Duizend en een Nacht naar de oorspronkelijke uitgave door Henri Borel in bewerking van Ab Visser en met pittige illustraties van Ria Exel (1964).

Maar er is zoveel meer dan geconsacreerde wereldliteratuur en daartoe reken ik geschonken boeken met een verhaal, het werk van mijn geprefereerde auteurs uit ons Nederlands taalgebied en, niet te vergeten, de door de bib ‘afgevoerde’ boeken die ik voor een habbekrats op de kop heb kunnen tikken.

Bij de eerste vernoem ik gaarne Mijn creatieve brein van Dick Swaab, Vaderland van Robert Harris, Allerzielen van Cees Nooteboom, De barbaren van Alessandro Baricco, Berta Isla van Javier Marias, Het empatisch teveel van Ignaas Devisch en te oud voor kamperen en andere verhalen van Louis Paul Boon.

Mijn geprefereerde auteurs uit het eigen taalgebied zijn Willem Elsschot van wie ik zowat alles bezit wat hij geschreven heeft en veel wat over hem is gepubliceerd. Na en naast hem staat Jeroen Brouwers die ik bewonder als stylist maar al evenzeer als polemist. Van hem bezit ik meerdere boeken maar een van de oudste Vlaamse Leeuwen is mij het liefst. Het is een 525 pagina’s dik boek waarin de eerdere redacteur van uitgeverij Manteau op een weergaloze manier de Vlaamse letterkunde fileert. Op een dag leende ik dat voor mij kostbaar boek uit aan een intussen overleden vriend die het op zijn beurt wellicht verder had doorgegeven met het resultaat dat ik het nooit heb teruggezien. Mijn verbazing was groot maar mijn blijdschap nog groter toen ik enkele jaren geleden de hand kon leggen op een door de bib afgevoerd exemplaar. Voor mij is het als verzamelwerk van essays, commentaren, portretten, polemieken en herinneringen een boek dat in iedere openbare bibliotheek een vaste plaats verdient en daar altijd moet terugkomen.

Andere afgevoerde boeken waarover ik mij dankbaar heb ontfermd zijn Ulysse van James Joyce (vertaling Paul Claes en Mon Nys), een door auteur Michel Van der Plas gesigneerd exemplaar van Godfried, het leven van de jonge Bomans, Tegen de keer van J.K. Huysmans en Hugo’s heilige vuur, de intieme biografie van de jonge Hugo Schiltz van Paul Huybrechts, Geen blad voor de mond van Hugo De Ridder en Het afscheid, Het boek alfa en Orchis Militaris van Ivo Michiels.

Poëzie

Poëzie lezen is niet consumeren, het is eerder proeven en dus zowat de fine cuisine van de literatuur. Ik houd van dichters en dichtkunst, maar ik moet er in de gepaste stemming voor zijn om de betekenis ervan te laten doordringen, iets dat trouwens niet altijd lukt. Ik bezit wel een aantal bundels en mooie uitgaven met verzamelde gedichten. Ik kocht, kreeg, las, lees en herlees Baudelaire, Werumeus Buning, Joseph Brodski, Hugo Claus, Guido Gezelle, Herman Gorter, Heinrich Heine, Frederico Garcia Lorca, Gerrit Komrij, Lucebert, Pablo Neruda, Shakespeare, Paul Snoek (als Edmond Schietekat ooit mijn klasgenoot en vriend), (zijn vriend) Simon Vinkenoog, Dirk Van Bastelaere, Hubert Van Herreweghen, Paul van Ostaeyen en Jan Van Nijlen. Lievelingsdichter in mijn jeugd was Hendrik Marsman en nu is dat sinds vele jaren Jan van Nijlen. Voor de Maria Lecina-ballade van Werumeus Buning heb ik altijd en nog steeds een zwak gehad.

Om af te ronden

Leren schrijven en lezen, dat was zowat de belangrijkste opgave in mijn eerste studiejaar dat een aanvang nam op 1 september 1940. Een beetje rekenen hoorde er ook al wel bij, maar dat was toen nog bijkomstig. Feit is dat tegen de ‘prijsuitreiking’ op 21 juli 1941 – het einde van een schooljaar viel in die tijd regelvast gelijk met de Nationale Feestdag! – de meeste leerlingen in onze klas al behoorlijk konden lezen en dat de snelsten er toen al een ontluikende leeslust aan overhielden. Ik prijs mij gelukkig dat ik er dan al als een van de eersten bij was.

Al lerend werd toen altijd luidop gelezen en nu ik oud en alleen ben, betrap ik mij erop dat er avonden zijn dat ik in het boek waarmee ik bezig ben mezelf enkele pagina’s voorlees. Een daad van barmhartigheid van Toni Morrison, de in deze viruscrisis uitgestelde opgave van onze Leeskring, lijkt zich hiertoe dankzij een door de auteur gehanteerde staccatoschrijfstijl uitstekend te lenen. En zo geraakt, zoals in andere dingen, ook deze cirkel rond.

Willem Peersman, april 2020